Wintergriep in West

Met mijn kat voor het raam. Hij zit als een koning, tuurt nauwgezet de omgeving af. Klaar om elke onbevoegde te bespringen die zich binnen zijn blikveld waagt. Het stukje straat omkaderd door de kozijnen. Want dat is ons stukje West, van hem en mij.

Ik, naast hem in ochtendjas, hang met mijn ellebogen op de vensterbank. Heup gezwikt, kont naar achter. Dat is deze dagen mijn equivalent van rechtop staan. Meer breng ik niet op. Dat hoeft ook niet, want ik bevind me zo exact op zijn ooghoogte. En daar wil ik vanmiddag zijn.

Mijn jas zit vol haren en ik vermoed dat hij stinkt. Ik draag hem dag en nacht, non-stop. Maar ik ruik het niet en kater is het gewend. Het is zaterdag, drie uur. Wintergriep in West.

Ik heb vele wandelingen gemaakt in de twaalf jaar dat ik hier woon. In elke straat ken ik de katten die voor het raam zitten. Daar sta ik altijd even bij stil. Ik ben zo’n gekke meid die dan zegt hoe-is-het-met-jou-vandaag-doerak en nee-kater-is-er-niet-bij-baasje-is-alleen-naar-de-winkel-geweest.

Zouden die katten op zo’n raamdag met enig ander mens oogcontact hebben? Daar heb ik nooit bij stilgestaan. Ik heb überhaupt nooit nagedacht over wat zij eigenlijk zien. Wat hun West is. En of het ene bal zou uitmaken als hun venster zich in Vergweghuizen bevond.

Tot vandaag. Na twee weken huisarrest heb je al je dvd’s wel weer een keer gezien. Lezen lukt niet. Vriendin met boodschappen komt maar om de twee dagen. Maar kater is er altijd. En bij gebrek aan enig ander vertier volg ik hem dit weekend door zijn West. Langs de buurman met Dirktas. Het blad dat trilt in de boom voor ons huis, terwijl het windstil oogt. We luisteren naar klikhakken en naar het geklangklang van fietssloten tegen ijzer.

Ik hoef alleen maar mijn hoofd van links naar rechts te bewegen. En te ademen.

Het buurmeisje dat haar fiets parkeert kijkt terloops omhoog. Ze geeft er geen blijk van, maar ze moet ons zien staan. Wij verroeren ons geen centimeter. Het is een fijne dag.

Doneer