Mijn rugzakharem

StraatvoetbalBosenlommerplein

‘Wat moeten je buren wel niet denken’, verzucht mijn moeder aan de telefoon. Dat zinnetje was ook door mijn hoofd gegaan. Maar pas rijkelijk laat, toen Marc me wees op de man op het balkon. Hij stond op drie hoog, strak als een veer, zijn blik gefixeerd op ons. Zelfs vanaf de straat kon ik de misprijzende streep zien die zijn lippen vormden.

‘Die heeft wel heel veel interesse in ons’, zei Marc. Ik bracht hem naar de tram. We liepen naast elkaar, keurig op de stoep. Ik in een niet te blote jurk en hij in een shirt met mouwen, want dan schuurden de banden van zijn rugzak niet zo. Een volstrekt alledaags en kuis tafereel. En toen besefte ik het: Marc was die week al de vierde man met rugzak met wie ik ’s ochtends de deur uit kwam.

De strenge buurman had waarschijnlijk ook Martin gezien, die in zijn pyjamabroek op en neer was gerend om broodjes te halen. En wellicht ook Frankie, die na het opendoen van de gordijnen op zijn gemak de straat in zich had staan opnemen – in boxershort. En misschien was hij ook nog wakker geworden van Elie, die om vier uur ’s nachts onder het raam mijn naam stond te roepen omdat ik zijn telefoontjes niet hoorde.

Wat hij niet had gezien was de badkamer, waar Frankie zich bediende van mijn dagcrème en waar Elie eindeloos verschillende oorbellen uitprobeerde. Waar naast het toilet een evenementenkrant in regenboogkleuren lag. Eén keer per jaar heb ik een harem en dat is met Gay Pride, wanneer ik met liefde mijn beddengoed, mijn spiegel en mijn tutspullen deel met homovrienden die in Amsterdam komen feesten. ‘Het was weer een geweldige week’, zeg ik tegen mijn moeder.

Vanuit de cafetaria tegenover de tramhalte keek de eigenaar toe hoe ik Marc gedag kuste. Hij ziet ze allemaal komen en gaan, elk jaar weer en vraagt nooit iets. Toen ik even later langs liep, riep hij: ‘Zijn je jongens weer weg?’ ‘Dit was de laatste’, zei ik. Hij stak zijn duim op.

Doneer