Vanaf vandaag is Patricia’s boek te koop: Smaakherinneringen van een Indo. Ze heeft het opgedragen aan haar moeder, die van 2013 tot haar overlijden in 2020 in Nieuw-West woonde; in een kleinschalig Indisch verzorgingshuis aan de Jan Tooropstraat. Een interview met de schrijfster.
Wat kunnen we lezen?
“Een selectie van de columns die ik van 2014 tot 2024 heb geschreven voor het Indische maandblad Moesson. In die stukken haal ik herinneringen op aan etentjes, feestjes en andere culinaire momenten die ik met mijn familie heb gehad.
“Elke column draagt de naam van een gerecht. De gerechten zijn echter geen hoofd- maar bijzaak. Ik koppel ze aan situaties en gesprekken binnen ons gezin en vertel op die manier iets over de koloniale tijd en onderwerpen als verlies en identiteit.
“Een voorbeeld: mijn moeder dweepte altijd met Indische klassiekers als spekkoek en kue lapis en prees de kookkunst van Indische Nederlanders de hemel in. Dat deed ze niet zomaar. Ze wilde laten weten dat ‘bruintjes’ wel degelijks iets kunnen om zo een erfenis uit de koloniale tijd te overschreeuwen: haar minderwaardigheidscomplex.
“Hoewel ze de Nederlandse nationaliteit had, voelde ze zich hier niet thuis. Dat gevoel hebben meer mensen die net als zij Indonesisch en Europees bloed hebben; ze hebben vaak het idee dat ze worden gezien als tweederangsburgers.
“Behalve een selectie van mijn columns beschrijf ik in het kort mijn familiegeschiedenis en vertel ik over de achtergrond van de hoofdpersonen in mijn columns.”
Wie zijn dat?
“Ik heb het boek opgedragen aan mijn op Java geboren moeder, Cissy Jacob-Bulham. Andere hoofdpersonen zijn mijn vader Max en zus Joyce. Ik was twaalf toen zij op 1 juni 1980 overleden. Allebei op dezelfde dag, op verschillende plekken maar alle twee aan hartfalen.
“Tot hun overlijden hadden we geen idee dat mijn zus hartproblemen had. Dat mijn vaders hart niet goed was, wisten we al langer; door zijn oorlogsverleden was zijn gezondheid verre van optimaal.
“Mijn vader ging op zijn zestiende bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Tijdens de Japanse bezetting van toenmalig Nederlands-Indië was hij dwangarbeider aan de Birma-spoorweg, bijgenaamd de Dodenspoorlijn. Kort nadat hij was vrijgelaten, moest hij weer de wapens oppakken en vocht hij tegen Indonesische onafhankelijkheidsstrijders.
“Oom Herbert, het broertje van mijn moeder, is ook een hoofdrolspeler in mijn columns. To know Herbie was to love him. Met zijn blauwe ogen, zijn gulheid en immer stralende humeur wist hij iedereen voor zich te winnen. Mijn vriend Mat was ook dol op hem en noemde hem steevast ‘mijn grote kleine vriend’.
“Last but not least duiken de Indische medebewoners van mijn moeders verzorgingshuis op in mijn columns (hieronder een voorbeeld). Door hen ben ik het Indische in mij gaan onderzoeken.”
Hoezo?
“Ik vond het ongelooflijk hoeveel de bewoners met elkaar gemeen hadden: hun warmte en hartelijkheid, obsessie met huidskleur, ambivalente gevoelens voor de Hollanders, het feit dat ze meestal mild waren maar bij vlagen snoeihard uit de hoek konden komen. Ik besefte dat die overeenkomsten voortvloeiden uit een gedeeld verleden; de kolonie zat in hun dna.
“Ze maakten me nieuwsgierig naar mijn achtergrond. Voorheen was ik daar nauwelijks mee bezig. Nadat ik boeken van Reggie Baay, Dido Michielsen, Griselda Molenmans en Marion Bloem had gelezen, begreep ik hoeveel beproevingen mijn ouders en hun leeftijdsgenoten hebben moeten doorstaan om in Nederland een nieuw leven op te bouwen. Mijn respect voor de veerkracht en het doorzettingsvermogen van de eerste generatie groeide per hoofdstuk.”
Je moeder is in 2020 overleden. Wat mis je het meest van haar?
“Haar liefde, zorgzaamheid, humor én kookkunst mis ik nog elke dag. Ik zou bijvoorbeeld een moord doen voor haar ajam opor, in geurige kokossaus gestoofde kip.
“Ondanks dat ze er niet meer is, hoor ik haar nog elke dag. Als ik een dakloze iets geef of iemand op een andere manier help, voel ik haar goedkeuring. Toen ik onlangs voor het eerst in jaren een nieuwe jurk gekocht, stond ik voor de spiegel en dacht ik opeens: al draagt een aap een gouden ring het is en blijft een lelijk ding. Mijn moeder zei dat altijd als ik haar complimenteerde over haar outfit.
“Als ik lach – binnen of buiten – hoor ik haar waarschuwing: ‘Niet zo hard, dadelijk denken ze nog dat je ze uitlacht.’ Met dit zachte weer komt de natuur langzaam tot bloei. Ze was daar dol op. Ik kan haar blijdschap bijna voelen.”
COLUMN KOLAK (KOKOSPAP MET ZOETE AARDAPPELS)
Mijn moeder heeft zo’n zeven jaar in een Indisch verzorgingshuis in Amsterdam gewoond. Ze was er omringd door verzorgenden met Marokkaanse, Turkse en Indonesische roots. Een personeelsbestand als de Verenigde Naties, met uiteraard ook Surinaamse medewerkers. Met hen hadden mijn moeder en haar huisgenoten het vaak over het moederland. Ze trapten lief af met praatjes over het tropenweer, maar gaandeweg ontvlamde er een postkoloniale strijd.
Dé zin waarmee het gedonder begon, was kort maar effectief: “Nederland heeft flink van ons geprofiteerd.” Team Indië sloeg er direct op aan. “Hoezo? Jullie hebben alleen bauxiet, en dat is weinig tot niets waard.” De teamcaptain, een oudere Indische heer, vulde dit aan: “Ze zijn van jullie echt niet rijk geworden. Wij hadden méér: olie en aardgas, maar ook koffie, tabak en suiker. En wat denk je dat al die specerijen hebben opgeleverd?”
Hij gaf zelf het antwoord. “Dat paleis op de Dam… Volledig betaald met winsten uit Indië!” Zijn teamgenoten straalden. Onbegrijpelijk: waren ze nou trots op de uiterst lucratieve uitbuiting van hun geboorteland?
Tijd voor de Surinaamse troefkaart. “Wij hadden slaven. Weet u wel hoeveel geld er met mensenhandel werd verdiend?” De tegenpartij liet zich niet kisten. “In Indië waren ook slaven. Misschien wel meer”, beweerde de brutaalste van het stel. “Er is veel minder over bekend. Wie weet wat er nog allemaal naar buiten komt.” De anderen knikten. Het was alsof ze ernaar uitkeken.
Uiteindelijk was er altijd iemand die het gesprek naar een veiliger terrein – eten – dirigeerde. Via tropisch fruit fladderde het dan naar exotische groenten. Dat je in beide landen sappige mango’s en papaja’s had, stond voor beide partijen buiten kijf. Maar welk land had nou de meeste soorten banaan? De getallen vlogen je om de oren. De strijd eindigde onbeslist. Groente boeide de Indo’s niet echt, op dat gebied mocht ‘Suriname’ best winnen. “Sopropo, antroewa, bitawira? Het kan best zijn dat jullie meer koolsoorten hebben dan wij.”
Na afloop kwam er meestal koffie met spekkoek op tafel. En dat terwijl kolak passender zou zijn geweest. Hierin zitten ingrediënten die zowel in Suriname als Indonesië voorkomen: banaan, zoete aardappel en/of cassave. De kokosmelk, waar de stukjes in drijven, is in beide landen te koop. Kolak is een fusie van Surinaamse en Indische smaken. Een ideaal dessert om samen te eten en vrede te sluiten.
Patricia Jacob, Smaakherinneringen van een Indo. De rol en betekenis van eten in een Indisch gezin. Te koop in geselecteerde boekwinkels en online via deze link.



















